01-10-06

Moby Dick (11)

In hoofdstuk 133 hebben Ahab en zijn mannen de witte walvis eindelijk in het vizier gekregen. Melville heeft dan nog 32 bladzijden om een eind aan het boek te breien. De eerste nacht en dag wordt de walvis opgejaagd in sloepen, maar de jacht is vooralsnog niet echt een succes.

"…, want Achab kon in zee nog geen teken van leven bekennen. Maar ineens, terwijl hij dieper en dieper in het water tuurde, zag hij heel ver in de diepte een witte levende stip, niet groter dan een witte wezel, die met onvoorstelbare snelheid opsteeg en onder het stijgen almaar groter werd, tot het witte pak zich omdraaide en er duidelijk twee lange rijen gebroken witte, glinsterende tanden zichtbaar werden naar boven drijvend vanuit een onpeilbare bodem. Het was Moby Dicks open bek en gekrulde kaak; zijn onmetelijke overschaduwde massa lag nog voor de helft in het blauw van de zee. De glinsterende bek gaapte onder de sloep als een marmeren grafkelder waarvan de deur openstaat; [-] Maar alsof hij deze strategie had doorzien, verplaatste Moby Dick zich zijdelings, met heel die boosaardige intelligentie die aan hem werd toegeschreven, om in een seconde met zijn gegroefde kop de sloep van onderen overlangs een opdoffer te verkopen."

Enfin, het beest ontkomt.

19:30 Gepost door durieux in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: moby dick |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.